Roosendaal mijn stad !
Djeek mareckh let go
Ik kom van een plek waar de dagen soms grijs zijn,
Maar de mensen blijven warm, houden vuur achter hun pijn.
Roosendaal—waar meningen hard botsen op de keien,
Maar waar je nooit alleen staat zolang je blijft proberen te blijven.
Centrum in de ochtend, stad ruikt naar nieuw begin,
Waar de winkels langzaam open gaan en iedereen z’n weg weer vindt.
Langdonk heeft verhalen, Kortendijk kent elke droom,
Tolberg is de buurt waar gezinnen groeien—een stabiele stroom.
Donken zonder stilte, Kroeven met de jeugd,
Iedere wijk heeft een timbre, een eigen soort deugd.
En al zijn we nuchter, soms wat koppig, soms te direct,
Maar het is die eerlijkheid die blijft, die je aan deze plek hecht.
En ik loop door de straten, zie waar ik vandaan kom,
Iedere steen vertelt me zacht waar ik ooit begon.
Je kan me hier weghalen, maar nooit echt eruit,
Deze stad blijft een echo in mijn stem, in mijn huid.
Dit is de stad van mensen die vallen en opstaan,
De stad van carnaval, Tulpen taan en doorgaan.
De stad van meningen, van waarheid zonder schaam,
Roosendaal—zeg m’n naam, zeg m’n naam.
Dit is de stad van warmte achter koude gevels,
De stad van harten die kloppen op dezelfde levels.
Waar je weg wil, maar toch altijd weer teruggaat—
Roosendaal, jij zit dieper dan ik ooit uitleggen kan.
Soms denk ik aan vroeger, aan de fiets naar de stad,
Aan de avonden met vrienden toen niemand haast had.
Aan gesprekken bij het station, dromen groter dan de lucht,
Aan de smaak van vrijheid in elke zomerse zucht.
En nu loop ik door dezelfde straten, maar vol nieuw besef,
Dat deze plek me gevormd heeft—hard, maar ook echt.
We zijn geen paradijs, soms ruwer dan we willen,
Maar juist dat maakt ons echt, niet te breken, niet te stillen.
Iedereen kent iedereen, soms mooi, soms benauwend,
Maar als het nodig is staat de stad naast je—vertrouwend.
We praten veel, misschien te veel, maar nooit om je te breken,
Eerder om te bouwen, om ruggen recht te steken.
En ik zie de lagen van de stad die ik liefheb,
De fouten, de scherven, het licht dat door breuken treedt.
Roosendaal blijft roepen, zacht maar duidelijk verstaan,
“Vergeet niet waar je vandaan komt, ook al moet je soms gaan.”
Dit is de stad van mensen die vallen en opstaan,
De stad van carnaval, Tulpen taan en doorgaan.
De stad van meningen, van waarheid zonder schaam,
Roosendaal—zeg m’n naam, zeg m’n naam.
Dit is de stad van warmte achter koude gevels,
De stad van harten die kloppen op dezelfde levels.
Waar je weg wil, maar toch altijd weer teruggaat—
Roosendaal, jij zit dieper dan ik ooit uitleggen kan.
Roosendaal, soms stil, soms luid,
Soms zwaar, soms licht—net zoals elke huid.
Maar het blijft de plek waar mijn kompas naar draait,
De stad van… alles wat mij heeft gemaakt.
Jalalalaaaaaa
Dalaaadalaaalaaa
Jalaaaalaaqqq
Oehwwww ooo ooo hmmm
Jalalalaaaaaa
Dalaaadalaaalaaa
Jalaaaalaaqqq
Oehwwww ooo ooo hmmm
Jalalalaaaaaa
Dalaaadalaaalaaa
Jalaaaalaaqqq
Oehwwww ooo ooo hmmm