Djeek mareckh
Ik word wakker met een humeur dat nog moet opstarten,
De wekker valt op de grond alsof hij zegt: “Doe het zelf maar, ik ga niet meer praten.”
Ik stap uit bed, meteen raak ik m’n teen—
Zo’n klap waarvan je hele ziel zegt: dit begint echt perfect meteen.
Ik loop naar de keuken, met één open oog,
Mijn brood komt zwart uit de toaster, ruikt alsof ik het al tien jaar droog.
Ik draai me om en hoor gepruttel—ja hoor, kraan nog aan,
De vloer is een kinderbadje, maar ik ben te oud om daarin te staan.
Nieuwe sokken aan, frisse moed, ik denk: nu kan ik gaan,
Zet één stap naar achteren—en stap precies weer in dat waterbadaan.
Ik pak de sleutel om weg te gaan—krak, hij breekt in twee,
Sta nog binnen opgesloten, denk: “Serieus? Vandaag al zoveel gedoe mee?”
Ik buk om het stukje op te pakken, vol frustratie in m’n kop,
BAM—hoofd tegen de afzuigkap, als finishing touch er bovenop.
Ik kijk omhoog naar dat ding en zeg: “Dankjewel hoor, echt fijn,”
Want sarcasme is het enige wat nog niet gebroken is bij mij in het brein.
Vandaag vandaag vandaag gaat alles fout, alles zonder pauze of reden,
Maar ik lach, want als ik dat niet doe, stort ik in binnen één seconde en negen.
Het leven is soms één lange slechte grap,
Maar morgen, ja morgen, staat weer klaar zonder dit soort slapstick op m’n pad.
Ik stap naar buiten, regen die voelt als kritiek,
Alsof de wolken zeggen: “Jij? Nee hoor, jij krijgt vandaag géén mystiek.”
Ik start m’n auto… of ja, ik probeer het,
Het enige antwoord: een kuch, een piep, en een “zoek het uit”-pakket.
Dus ik loop door de regen, mijn jas absorbeert alles trouw,
Ik lijk meer op een doorweekte spons dan op een volwassen man nou.
Bij het station glijd ik bijna uit over een tegel die lacht,
Die zegt: “Kom, doe een salto,” maar ik hou mezelf nog net in kracht.
Ik kom te laat op werk, met een look van verslagen glans,
Collega vraagt: “Alles goed?” Ik denk: “Zeker niet,” maar ik lieg uit pure beleefdheidsdans.
Ik open m’n laptop, die besluit spontaan met pensioen te gaan,
Hij bevriest, sluit af, alsof hij zegt: “Ik werk niet onder zulke omstandigheden, man.”
Ik typ een rapport, een uur werk, bloed, zweet, en irritatie,
Druk op opslaan—verdwijnt. Geen spoor.
Mijn laptop zegt: “Ik doe niet aan samenwerking; alleen aan degradatie.”
Lunchtijd. Ik pak een broodje, denk: geluk.
Laat het vallen. Natuurlijk met de smerige kant naar beneden—pure pechdruk.
Ik koop een blikje drinken, maar de automaat houdt het vast,
Alsof hij zegt: “Vandaag niet, kerel, ik heb ook mijn eigen last.”
Vandaag vandaag vandaag gaat alles fout, elk detail, elke draai,
Maar ik hou vol, omdat ik weet dat morgen alles minder zwaar zal zijn.
Ja, deze dag is een ramp, maar wel één met humor erin,
En later lach ik er harder om dan dat ik nu nog kan beminnen.
Oweejo oweejoo morgen komt alles goed
Oweejo oweejoo zelfs als het niet zo voelt
Oweejo oweejoo morgen komt alles goed
Oweejo oweejoo zelfs als het niet zo voelt