Daar waar een leegte ontstond,
Daar waar een vader verdween,
Daar waar een moeder van vier kinderen
In één klap helemaal alleen bleef staan – alleen.
Zwarte dag, zes januari tweeduizend vier …
Tijd viel stil, haar hart ging door,
Maar ineens was hij er niet
En de stilte sneed dwars door haar heen.
Niet meer om de boel te houden,
Niet meer om zijn armen om haar heen te vouwen,
Niet meer om te zeggen: “ik hou van jou”
Nee… zij moest rouwen.
Maar rouw kende geen tijd,
Vier welpen om haar heen,
En terwijl zij vocht voor haar gezin
Raakten twee dochters verdwaald in hun eigen pijn, zo alleen.
Geen grip meer op het leven,
Haar handen vol, haar hart brak steeds verder.
Ze hield zich vast aan een zijden draadje
Maar wist diep vanbinnen: God is sterker.
De Heer is aan je zijde,
Hij blijft, Hij wijkt niet van je af.
Wanneer één deur voor je sluit,
Opent Hij een nieuwe op je pad.
Ook al zie je nu geen licht,
Hou vol, al voelt het zwaar…
Want zelfs in stilte, in de pijn,
Is Hij er – echt, waarachtig, klaar.
Het bed was leeg… geen vader, geen man,
De dagen trokken traag, de nachten te lang.
Ze probeerde grip te krijgen op haar meisjes,
Maar ze zonken weg in hun verdriet,
En zij begreep:
Deze strijd win ik niet alleen, Heer, help me alsjeblieft.
En de hemel luisterde.
God stuurde iemand met kracht –
Guus, een strijder, een man die bleef
Vanaf de allereerste dag.
Vier kinderen had hij zelf,
Maar hij vocht en hij vocht samen met haar.
Pakte haar hand, hield haar vast,
Liet zien dat liefde wél bestaat,
Zelfs na alles wat ze kwijt was daar.
De Heer is aan je zijde,
Hij blijft, Hij wijkt niet van je af.
Wanneer één deur voor je sluit,
Opent Hij een nieuwe op je pad.
Ook al zie je nu geen licht,
Hou vol, al voelt het zwaar…
Want zelfs in stilte, in de pijn,
Is Hij er – echt, waarachtig, klaar.
Met de jaren kwam de rust terug,
Stukje bij beetje vond ze kracht.
Ze zag haar dochters vallen,
Maar ook langzaam opstaan in de nacht.
Littekens bleven, maar liefde bouwde verder,
En met Guus aan haar zijde
Vond ze vuur dat nooit meer doofde.
Ze vocht als een leeuwin voor haar troon,
Uit het stof, uit de pijn –
Ze maakte van haar tranen
Een pad dat anderen kon bevrijden.
Dus bouwde ze ROED,
Een thuis voor jongeren die verdwalen,
Een plek waar gebroken harten
Weer leren ademen, weer leren stralen.
Nu staat ze hier:
Geen slachtoffer, maar een krijger,
Een vrouw die brak maar nooit bleef liggen.
En als de wind fluistert over wat ze verloor,
Weet ze dat liefde terugkwam
Via een nieuwe deur.
De Heer is aan je zijde,
Hij blijft, Hij wijkt niet van je af.
Hij droeg je door het donker heen,
Hij zette licht terug op je pad.
Ook al voelde je je een tijd alleen,
Hij hield jouw strijd altijd in zicht.
En nu ben jij het licht geworden
Voor wie zelf nog zoekt naar licht.
Marijke vecht als een leeuwin
Marijke zacht als een engel
Oo jaa ze strijd als een leeuwin
Marijke straalt als een engel
Saya sinta padamu
Oo oo oo