[Intro]
Een voetstap, nog een voetstap—stilte daartussen.
Wat jij ooit noemde, mag nu rusten.
[Couplet 1]
Je zei ooit hond, ik hoorde wacht—
een waakreflex die door mijn nachten gaat.
Ik droeg je grom als zachte dracht,
tot adem in mijn borstkas slaat.
[Pre-Chorus]
En als de wind door oude ramen wandelt,
twijfel dwaalt, maar weg weer valt—
ik leg mijn hand op vacht en wacht.
[Refrein]
Geen gelijk, alleen een klein gebaar:
ik fluister dank—misschien hoor jij het eens daar.
Waar bijt ooit blonk, bloeit nu een lichte lach;
tussen lijn en licht wordt nacht weer zacht.
[Post-Chorus]
Ik zeg dank, ik zeg dank—
zacht, niet hard, maar helder en rank.
[Couplet 2]
Je liep me voor, ik liep je na—
een schaduw met een eigen plan.
Waar angst wou staan, stond ruimte daar;
ik adem uit en vind weer land.
[Pre-Chorus (variatie)]
Zeg niets—laat stilte het zeggen;
wie waakt, mag wapens even neerleggen.
[Refrein]
Geen gelijk, alleen een klein gebaar:
ik fluister dank—misschien hoor jij het eens waar.
Waar bijt ooit blonk, bloeit nu een lichte lach;
tussen lijn en licht wordt nacht weer zacht.
[Bridge]
Ik ben die krijger—maar ik kies nu licht.
Ik til mijn helm en zie jouw gezicht.
Als waak in warmte overgaat,
wordt wond een woord dat ik eindelijk versta.
[Breakdown]
Ssst… één hartslag… nog één hartslag…
[Laatste Refrein]
Niet meer “hond”—ik noem je rust.
Waar wang eens trilde, groeit nu lust
naar leven in een lichte, lange lijn;
ik zeg dank—en laat het zijn.
[Outro]
Een voetstap, nog een voetstap—licht daartussen.
Wat jij ooit noemde, mag nu rusten.