Kanker aan dit leven, kanker aan mij,
ik haat wie ik ben, en ik blijf erbij.
Elke ochtend is een mes in m’n rug,
elke nacht een schreeuw zonder fucking terug.
Ik jatte, ik loog, ik brak elke wet,
voor een hijs, voor een shot, voor dat kankerpret.
Niet omdat ik wilde — omdat ik moest,
want die trek in m’n kop is als vuur in m’n borst.
En fuck jou die zegt: “Kies beter dan dit.”
Alsof jij weet wat verslaving is.
Alsof jij voelt hoe je kankerdiep
kan zakken en toch blijft kruipen als een dier dat niets meer ziet.
Ik zie m’n moeder soms in m’n hoofd,
ogen vol hoop, terwijl ik haar sloopt.
Ze zei: “Kom thuis,” met stem vol bloed,
maar ik was allang verloren, niet goed.
Ik ruik haar eten, ik hoor haar stem,
en ik spuug op mezelf, want ik kwam niet hem.
Ze bad voor mij, ze jankte zacht —
terwijl ik stikte in m’n eigen nacht.
En Onix…
m’n kleine zusje met vleugels van licht,
jij zag nog zon terwijl ik mezelf dicht
rolde in rook, in puin, in spijt —
jij verdiende een broer, geen fucking strijd.
Jij vroeg: “Waarom kijk je zo boos?”
Omdat ik al dood was en jij nog koos
voor knuffels, lachen, kleuren, lied —
terwijl ik allang niets meer zie, niets meer bied.
En dan Elizabeth. M’n dochter.
Kanker, wat ben ik voor een vader?
Je hebt m’n ogen, je lacht als zij,
maar ik was er niet. Nooit. Nooit dichtbij.
Jij zei geen woord, maar je ogen spraken:
“Waar was je toen ik bang was in m’n dromen?”
Ik was weg. In trappenhuizen, in steegjes,
tussen dealers en schimmen en honderd tegens.
Ik had je moeten vasthouden, kanker nog aan toe.
Jij was het mooiste, en ik koos voor troep.
En nu? Nu kijk ik naar je foto in rook,
en elke trek is alsof ik je opnieuw vermoord.
Dus kom niet praten over herstel en licht,
ik ben een schaduw, kanker op gezicht.
Ik ben wat liefde doodmaakt met z’n blote hand,
ik ben de man die brandde, die brak, die verbrandt.
Fuck mezelf, fuck m’n brein,
fuck wat ik ben, wat ik nooit kon zijn.
Ik wilde vader zijn, broer zijn, zoon —
maar werd een fucking spook in beton.
Laat ze mij vergeten, wis m’n naam,
ik ben geen held — ik ben hun schaam.
Dus als ik ga, laat me dan gaan
met een steen zonder letters,
alleen met de waan
dat ik ooit iemand was.
En dat zelfs dat niet bleef bestaan