Kran dreht über Maasvlakte, Regen frisst das Licht,
Container riechen nach Zuidamerika, kein Gedicht.
"Luister goed, geen namen", flüstert mir die Crew,
Schwarz wie ’ne Nacht in de Pijp, wenn keiner mehr ruft zu.
Goldketten unterm Hoodie, Augen kalt wie der Deltawind,
Kilopreise steigen, wie der Rauch, wenn die Flammen sind.
Geen tijd voor praten, alleen voor geld,
Jede Uhr an meinem Handgelenk hat Blut in der Welt.
Rotterdam haven, het spel is hard,
Elke fout hier kost je kaart.
Maasstad nach Mokum, nacht ohne Gnade,
In deze straten maak je je eigen parade.
Bentley im Regen, Felgen schwarz wie ’n Tunnel,
Planen auf den Sitzen, weil der Stoff riecht zu dunkel.
Jede Brücke hier kennt mein’n Namen nicht,
Doch jede Kaimauer flüstert von Gewicht.
Zuidplein bis Waalhaven, kalte Deals im Wind,
Iedereen hier weet dat je stil moet zijn, kind.
Zähl das Geld in der Suite, während draußen die Möwen schrein,
Leben auf der Kante – één fout en je gaat er onder zijn.
Haven mist, kranen draaien, regen slaat op staal,
Container 4-2-9, code blijft fataal.
"Geen vragen, geen blikken", zegt die man uit Delfshaven,
Hij praat in halve zinnen, ogen vol van graven.
Cash in duffels, dichtgetaped, geur van benzine,
Van Maasvlakte tot Bijlmer, lijnen lopen als machines.
Iedere stap hier is berekend, geen toeval in de straat,
Eén foute move, en je kaart wordt verbrand op de graat.
Maasstad nach Mokum, spel van ijzer en bloed,
Elke fout is einde, geen weg terug, geen goed.
"Blijf stil, kijk niet om", zegt de stem in m’n oor,
Endspel aan de Maas – hier verliest zelfs de moor.
Zwarte Sprinter onder de Erasmusbrug, geen licht,
Alleen de klok tikt, elke seconde gewogen gewicht.
Dordtse jongens wachten, sigaretten half op,
Hun ogen lezen mensen zoals boeken zonder stop.
“Rustig, maat, we doen dit snel”, zegt één met ’n grijns,
Hij lacht zonder tanden, geur van whisky en pijn.
Van Katendrecht tot Sloterdijk, asfalt nat van de regen,
Dit pad is een keuze – of rijkdom of verlegen.
Maasstad nach Mokum, spel van ijzer en bloed,
Elke fout is einde, geen weg terug, geen goed.
"Blijf stil, kijk niet om", zegt de stem in m’n oor,
Endspel aan de Maas – hier verliest zelfs de moor.
En als de zon opkomt, kleuren de kranen goud,
Maar goud voelt koud, als je ziel is verkocht en oud.
Rotterdam fluistert, Amsterdam zwijgt,
En de Maas draagt geheimen die niemand ooit toont of krijgt.
Rotterdam haven, het spel is hard,
Elke fout hier kost je kaart.
Maasstad nach Mokum, nacht ohne Gnade,
In deze straten maak je je eigen parade.
Und wenn der Morgen kommt, brennt der Nebel wie Gift,
Hinter Containern nur Schatten, die keiner vergisst.
Maasstad blijft koud, ook al draag je goud,
Hier is ieder verhaal een zonde waard.