Er is een jongen met een lichaam dat hem remt,
altijd zo moe, alsof niemand hem kent.
Een ziekte die fluistert: doe het maar rustig aan
terwijl zijn hoofd zegt: kom we gaan er tegen aan
Refrein
Ik mag stoppen, ik mag zijn,
ik hoef het niet alleen te dragen, niet alleen te zijn.
Ook al is de weg soms zwaar,
ik sta er niet alleen voor — en dat is waar.
Hij wil zo graag rennen, vooruit in de tijd,
maar zijn energie raakt hij sneller weer kwijt.
Zijn hart roept luid: dit is wat ik wil,
maar zijn hoofd zegt iets anders, dwingend en kil.
Refrein
Ik mag stoppen, ik mag zijn,
ik hoef het niet alleen te dragen, niet alleen te zijn.
Ook al is de weg soms zwaar,
ik sta er niet alleen voor — en dat is waar.
Elke keuze voelt zwaar, elk pad doet pijn,
want wat hij verlangt kan niet altijd zo zijn.
Hij leert los te laten, stap voor stap,
ook al voelt elke beslissing als een harde klap.
Refrein
Ik mag stoppen, ik mag zijn,
ik hoef het niet alleen te dragen, niet alleen te zijn.
Ook al is de weg soms zwaar,
ik sta er niet alleen voor — en dat is waar.
Zijn hart wil vooruit, wil dromen en meer,
maar zijn hoofd zegt: dit lukt vandaag niet meer.
Wat hij wil en wat hij kan ligt ver uiteen,
en elke dag voelt dat weer als één.
Elke keuze kost kracht, elk besluit doet zeer,
want te veel vandaag betekent morgen niks meer.
Hij leert te kiezen, soms tegen zijn zin,
omdat overleven ook winnen kan zijn.
Refrein
Ik mag stoppen, ik mag zijn,
ik hoef het niet alleen te dragen, niet alleen te zijn.
Ook al is de weg soms zwaar,
ik sta er niet alleen voor — en dat is waar.
En wat een ander zegt komt soms hard aan,
alsof hij zich steeds moet verantwoorden of bewijzen moet gaan.
Ze horen zijn woorden, maar voelen het niet,
de strijd die hij elke dag opnieuw ziet.
Maar hij blijft hier staan, moe maar oprecht,
niet zwak, maar sterk in een oneerlijk gevecht.
Hij is meer dan zijn ziekte, meer dan zijn pijn,
hij is een jongen die zichzelf leert zijn.
Een jongen die leert, ondanks strijd en gemis,
dat hij meer is dan moe — dat hij is wie hij is.
Refrein
Ik mag stoppen, ik mag zijn,
ik hoef het niet alleen te dragen, niet alleen te zijn.
Ook al is de weg soms zwaar,
ik sta er niet alleen voor — en dat is waar.