Mijn leven schittert, helder en puur,
Mijn liefde is echt, mijn hart is onschuur.
Ik zag een engel, dat weet ik zeker,
Een glimlach zo zacht, mijn wereld werd breder.
Ze lachte naar mij daar in de metro,
Maar niet alleen — haar hand in die van hem zo.
Toch lig ik niet wakker, geen nacht vol verdriet,
Want diep in mijn hoofd heb ik al een plan gesmeed.
Je bent zo mooi,
Ja, zó mooi,
Je bent mooi, dat is waar.
Ik zag jouw gezicht in een zee van lawaai,
En ik wist op dat moment: ik ben te laat.
Want ik zal nooit bij jou zijn,
Hoe graag ik ook droom, hoe graag ik ook pijn.
We liepen voorbij, één blik, één seconde,
Maar die ene seconde bleef eeuwig verbonden.
Je zag aan mijn ogen, aan wie ik toen was,
Verdwaald en verlicht, een beetje te vast.
Ik denk niet dat ik je ooit weer zal zien,
Maar dat ene moment blijft altijd misschien.
Een stil gedeeld geheim, vluchtig en klein,
Maar groot genoeg om voor altijd te zijn.
Je bent zo mooi,
Ja, zó mooi,
Je bent mooi, dat is waar.
Ik zag jouw gezicht in een zee van lawaai,
En ik wist op dat moment: ik ben te laat.
La la la, de stad ademt door,
Mijn hart zingt zachtjes hetzelfde refrein in koor.
Er moet wel een engel hebben gedacht,
Met een glimlach vol spijt en een tikkeltje kracht:
“Wat jammer dat jij niet de juiste bent,
Niet degene die haar toekomst kent.”
Dus kijk ik de waarheid recht in de ogen aan:
Ik zal nooit bij jou staan.