[Verse 1]
Ik ben al jaren onderweg,
langs natte dijken, langs de oude sluis.
En alles wat ik jou niet zeg,
rijdt zwijgend met me mee naar huis.
De inkt verbleekt, maar diep in elke vouw
ruik ik je haar en slaap ik naast jou.
Twee vellen dun papier,
en even ben je hier.
[Chorus]
Blijf je bij mij,
voor een appel en een ei?
Al jaagt de wind ons voort,
mijn hart weet waar het thuishoort.
Blijf je bij mij,
voor wat grond en een huis van hout?
Al klopt de schuld weer bij ons aan,
wil jij in moeders trouwjurk staan,
naast mij?
[Verse 2]
De nacht wordt koud, maar ik blijf rijden,
terwijl de lichten langs me glijden.
Je brief verschuift bij elke bocht,
alsof jouw hand de mijne zocht.
In mijn gedachten gaat de voordeur open.
Ik kniel en zie je blootsvoets naar me lopen.
Je mond beweegt — ik wacht.
Voor mij ligt nog de hele nacht.
[Chorus]
Blijf je bij mij,
voor een appel en een ei?
Al jaagt de wind ons voort,
mijn hart weet waar het thuishoort.
Blijf je bij mij,
voor wat grond en een huis van hout?
Al klopt de schuld weer bij ons aan,
wil jij in moeders trouwjurk staan,
naast mij?
[Bridge]
Lillie…
Bij de sluis veeg ik het mos
van onze namen; de verf laat los.
Mijn naam bleef al die jaren naast de jouwe staan.
Had ik dat maar gedaan.
[Final Chorus]
Blijf je bij mij,
voor een appel en een ei?
Al jaagt de wind ons voort,
ik blijf — je hebt mijn woord.
Blijf je bij mij,
voor wat grond en een huis van hout?
Al klopt de schuld weer bij ons aan,
wil jij in moeders trouwjurk staan,
naast mij?
[Outro]
Ik blijf.